Al bijna twintig jaar ‘gevangen’ in kamp
Als bergstaat in de Himalaya spreekt Nepal tot de verbeelding. Het land is in opkomst als vakantieland en ook steeds meer Nederlanders boeken een reis naar Nepal. Slechts weinig mensen weten dat in het oosten van het land als sinds het begin van de jaren negentig Bhutanese vluchtelingen in kampen worden opgevangen. Het is een enorme groep: wel 106.000 mannen, vrouwen en kinderen. Het zijn Bhutanese vluchtelingen van Nepalese afkomst. Al jarenlang zitten ze ‘vast’ in de vluchtelingenkampen. Bhutan heeft ze uitgezet en peinst er nog niet over om ze terug te nemen en ook Nepal wil deze mensen geen staatsburgerschap geven. De mensen zijn stateloos. Al bijna twintig jaar leven ze in onzekerheid.
Voorlichter Susanne Jonker reisde in oktober 2006 met projectmedewerker Jan Habraken naar Nepal. Zij sprak met de vluchtelingen en tekende hun verhalen op.
Een goede oude dag?
“Ik was 55 jaar oud toen ik Buthan verliet”, vertelt Buthabir Sabba. “Nu ben ik 71. Al die tijd heb ik in dit vluchtelingenkamp gewoond. Ik had het goed in Bhutan. Ik was kapitein in het leger en net met pensioen. Ik had hard gewerkt voor mijn land en mijn huis. Het was tijd om het rustiger aan te doen en tijd met familie en vrienden door te brengen. Maar het werd steeds slechter voor ons in Bhutan. Op een dag werd ik gebeld door iemand van de regering. Ze vroegen waar mijn zoon was. Ik zei dat hij op school was. Ze deden net alsof ze me niet geloofden. Ze wilden hem spreken, en wel NU! Alweer moest ik zeggen dat hij echt niet thuis was. Toen zeiden ze doodleuk ‘Dat klopt. Hij zit in de gevangenis.’ Dan schrik je natuurlijk. Mijn zoon zou een ‘terrorist’ zijn. Grote onzin. Ze hadden helemaal geen bewijzen maar toch hebben ze hem vastgehouden, wel twee jaar lang! We zijn gebleven omdat we dichtbij onze zoon wilden blijven. Maar het was moeilijk. Het leger – waarvoor ik jarenlang heb gewerkt - kwam geregeld ons huis binnen om ons te bedreigen. Toen onze zoon vrijkwam zijn we meteen gevlucht.
Zestien jaar lang wonen we al in dit vluchtelingenkamp. Ik ben een oude man nu. Het liefst zou ik ooit terug gaan naar Bhutan. Maar veel hoop daarop heb ik niet. Bovendien, wat zou ik daar aantreffen? Mijn huis waar ik zo hard voor gewerkt heb, is verwoest. Ze hebben er een tempel van gemaakt, heb ik gehoord. En mijn land is helmaal overwoekerd, het is een bos.”
Geboren worden en doodgaan als vluchteling?
“Ik heb twee zoontjes” vertelt Bhim Maya Magar (31). “Een van twaalf en een van zes jaar oud. Wat gebeurt er met ze als ze groot zijn? Ze zijn als vluchteling geboren. Zullen ze altijd vluchteling blijven? Hebben ze een toekomst? Daar denk ik vaak over na. Tot hun twaalfde jaar krijgen ze scholing in het vluchtelingenkamp. Maar wat dan? Het schoolgeld wat je daarna moet betalen is 20.000 rupi’s. Dat kan ik niet betalen. De Verenigde Staten hebben aangeboden om een aantal Bhutanese vluchtelingen op te nemen. Mijn kinderen zouden daar misschien een toekomst hebben. Maar ik niet. Ik heb nooit kunnen studeren. Ik ken de taal niet eens. Bhutan is mijn thuis. Als ik niet terug zou kunnen naar Bhutan dan zou ik het liefst in Nepal blijven. Dit land heeft dezelfde cultuur en taal als ons land en veel mensen hebben dezelfde religie. Maar dan moeten ze ons wel accepteren als echte burgers. Want nu kijken ze toch anders tegen ons aan. Soms noemens ons geen Bhutanezen maar Butani. Dat vind ik niet leuk. In de tussentijd moeten we het zien te redden hier in het kamp. Het liefst zou ik een stuk grond hebben waarop we groenten en rijst kunnen verbouwen of waarop we kippen of geiten kunnen houden. Dan kunnen we voor ons eigen eten zorgen en zijn we niet meer afhankelijk van hulp.”
Zal ik ooit weer een thuis hebben?
“In Bhutan was ik boer en had ik akkerland”, vertelt Rudna Man Subba (37). “Nu ben ik vluchteling en werk ik mee in een sanitatieprogramma. Dat wil zeggen dat ik de toiletten schoonmaak. Ik ben naar Nepal gevlucht omdat het niet goed ging in Bhutan. Het volk riep om democratie maar de koning wilde dat niet. Hij werd bang en nam maatregelen. Vooral tegen de Lhotsampa’s, de bevolkingsgroep waartoe ik behoor. We mochten niet meer onze eigen kleren aan, niet meer onze eigen taal spreken, niets meer van onze cultuur laten zien. Het werd steeds moeilijker. In 1990 ben ik gevlucht. Ik was toen achttien jaar oud en werd bedreigd. De Lhotsampas werden allemaal ingedeeld in categorieën, van 1 tot en met 7. Ik was bang dat ik in categorie 7 zou worden ingedeeld, dan ben je volgens hen een ‘terrorist’. Met alle gevolgen van dien. Bij veel van mijn vrienden en familieleden was dat al gebeurd en mijn vader was ook al gevangen genomen. Dus de kans was groot dat ik ook als ‘terrorist’ zou worden gezien. Daarom ben ik gevlucht. Of ik mij thuisvoel in het vluchtelingenkamp? Nee. Ik voel me niet thuis. Maar ik heb geen keuze. Ik kan niet terug naar mijn land. Maar ondanks alles wat er is gebeurd hou ik van Bhutan. Het is mijn land”.