NvdV901x228pxls2.jpg http://www.nachtvandevluchteling.nl

Reis naar Noord-Oeganda

Stichting Vluchteling op bezoek in Uganda
Projectmedewerker Loan Liem bezoekt de projecten van Stichting Vluchteling in Noord-Uganda. Lees haar belevenissen:

08/05/2006
Het kleine vliegtuigje landt in Pader district. We klimmen er uit en vinden onze tassen beneden aan het trapje. “Opzij, opzij, want we gaan weer vertrekken”, roept de piloot terwijl de motoren alweer draaien. “Waar is Pader stad”, roep ik snel, want we staan op de verlaten landingsbaan en ik heb geen idee welke kant ik op moet. Er is helemaal niemand te zien. Nergens een kantoortje of gebouw, niets wat er op wijst dat hier passagiers aankomen. De piloot wijst naar de hutjes in de verte.“Na twee kilometer begint het stadje. Loop maar naar het zuiden.” In de verte zie ik een stofwolk. Het is een jeep met militairen. Zal ik een lift vragen? Het lijkt me toch niet zo´n goed idee. Gelukkig komt er nog een stofwolk aan, de auto is wit: Save the Children in Uganda heet de gasten uit Nederland welkom.

Als ik het stadje Pader nader zie ik overal ronde hutten met een rieten dak. Lange rijen mensen staan op het voetbalveld te wachten op blauw gekleurde zeep. Het stadje is verworden tot een groot ontheemdenkamp; zelfs midden in het centrum staan de hutjes van de ontheemden tussen de districtskantoren. Zijn er hier eigenlijk wel mensen die niet ontheemd zijn?

Ik maak kennis met de kampleiding en wandel langs de hutjes. Evelyne, de projectmanager werkt al zeven jaar in Pader en maakt met veel mensen een praatje. “Kom binnen” wenkt een vrouw. Ze laat me haar hut zien waar zij met haar man en 8 kinderen wonen. Het ziet er netjes uit, een eenpersoonsbedbed, opgerolde matjes, keukenspullen en een netjes gepoetste fiets. Plotseling trekt een vrouw Evelyne´s aandacht. Haar zus heeft al vier dagen weeën en het einde lijkt nog niet in zicht. De traditionele vroedvrouw heeft haar vanochtend nog bezocht maar er zit nog steeds geen schot in. Evelyne en ik lopen snel naar de hut waaruit een luid gekerm komt. Omdat ik dokter ben, vraagt de vroedvrouw of ik de zwanger vrouw wil onderzoeken. De vrouw is helemaal uitgeput en heeft erge pijn. Voorzichtig bevoel ik de buik en de baby. Het is haar eerste zwangerschap en ik ben er niet zo zeker van dat de baby er uit kan. “Direct naar de kliniek”, adviseer ik de vroedvrouw. Het is nog geen vijf uur, dus het dokter moet nog aanwezig zijn. De traditionele vroedvrouw vindt het geen goed idee; ze heeft dergelijke bevallingen al vaker tot een goed einde gebracht. Evelyne praat met de echtgenoot. Het is toch eigenlijk te gek dat er na vier dagen nog geen professionele zorg is ingeschakeld. De kliniek ligt op 10 minuten lopen van het kamp. De vroedvrouw sputtert tegen, de echtgenoot weet niet wat hij moet beslissen. “Praat dan Engels met deze dokter” commandeert Evelyne en ze wijst naar mij. “Ik spreek geen Engels” zegt de echtgenoot. Toevallig spreek hij wel een beetje Swahili, de taal van de militairen in Oeganda. In mijn allerbeste Swahili leg ik hem uit, dat zijn vrouw uitgeput is en dat de baby mogelijk gevaar loopt. Gelukkig kan ik hem overtuigen. Er wordt een auto geregeld en het echtpaar vertrekt samen met de vroedvrouw richting de kliniek. “Hoe kan dit nou?” vraag ik aan Evelyne. Want zowel Artsen Zonder Grenzen als International Medical Corps zijn actief in het kamp, en toch ontsnappen zulke noodgevallen blijkbaar aan hun zorg en aandacht!